Tags

,

Als je er de gespecialiseerde literatuur op naslaat en de volkse overleveringen mag geloven, ontwikkelt een baby rond de leeftijd van 8 à 9 maand doorgaans verlatingsangst. Emil bleek de uitzondering ter bevestiging van deze regel. September, oktober, november: niks geen verlatingsangst te bespeuren, het kind keek meestal niet meer om wanneer we hem in de goede handen van de kinderverzorgsters in de crèche of bij een babysit achterlieten. Ook december en januari gingen voorbij, volledig vrij van traantjes bij afscheid van mama en papa. Wij blij, zo hadden we geen last van schuldgevoel als we weeral eens op stap gingen zonder ons kleintje. Al geef ik toe dat ik mij, op de emotionelere dagen des levens, al eens peinzend durfde afvragen: ziet mijn mannetje mij eigenlijk wel graag?

En iedereen ons maar waarschuwen, niet zelden met opgestoken wijsvinger: wacht maar, het komt nog wel! En ik dan telkens mijn wenkbrauwen ophalen of met mijn ogen rollen – zo subtiel mogelijk, maar discreet zijn is iets wat ik eigenlijk niet kan (PJ will confirm that) dus die mensen hebben dat waarschijnlijk wel gemerkt. Sorry hé, mensen.

In ieder geval, de waarschuwende wijsvingerende kwatongen zullen nu wellicht een overheerlijk gniffel-momentje beleven want ik moet toegeven dat ze gelijk hadden. Maar kom, ik ben tenminste zo eerlijk om het toe te geven. Want jawel hoor, op zijn 11 maand en 3 weken is het eindelijk zover: Emil plengt traantjes wanneer we hem achterlaten in de crèche. De ochtendspits thuis mag dan nog zo vrolijk en giechelachtig verlopen zijn – wat meestal het geval is behalve op dagen dat ik maar niet kan beslissen wat ik ga aandoen en gekweld word door twijfels alom, zoiets kan de algehele sfeer hier enorm doen omslaan – de traantjes zijn er sinds vorige week elke dag. 

Dat het kind niet graag alleen is, dat wisten we al langer dan vandaag. Hij is net als zijn papa een supersociaal beestje dat graag gezelschap heeft. Hij zou uren aan een stuk spelen met eender wie, zolang hij maar door een levend wezen geëntertaind en uitgedaagd wordt en zijn plakkerige kwijlpollekes op dat wezen in kwestie kan placeren, vergezeld van een enorme grijns. Maar nu heeft hij het dus lastig wanneer ik hem afzet in de crèche en dan haastig weer mijn kar keer omdat ik anders te laat op het werk ga komen. Gelukkig heeft hij het enkel daar, en niet bij oma en meme bijvoorbeeld. Want een teleurgestelde, verdrietige moeder/schoonmoeder (boehoe, mijn kleinzoon ziet mij niet meer graag, zie je wel dat ik hem te weinig zie, hij herkent mij zelfs niet meer, ik had het toch gezegd hé!) troosten en sussen, dat is een taak die ik begrijpelijkerwijze liever niet op mijn frêle schouders neem.



Ook Ben Crabbé behoort tot de categorie “levende wezens die zorgen voor funny entertainment”

Ik weet ook wel dat het verdriet maar van korte duur is, want volgens de verzorgsters is het na één minuutje meestal gepasseerd. De theorie van PJ en mezelf luidt als volgt: Emil heeft intussen maar al te goed door dat hij in de crèche niet alle aandacht voor zich alleen heeft, en vermits hij niks liever doet dan in het middelpunt van de belangstelling te staan (I blame his daddy for this) trekt hij een forse pruillip bij het vooruitzicht op alweer een dagje aandacht-delen met 20 andere al even aandachtsbeluste kinders. Ingenieuze theorie, don’t you think? Verklaart meteen ook waarom hij het bij de grootouders en andere babysits niét op een pruilen zet: daar wordt hij non-stop gepamperd en in de watten gelegd. En terecht hoor, hij is het enige kleinkind aan beide kanten van de familie, dus da’s niet meer dan normaal denk ik.

Ik weet ook wel dat hij enorm graag in de crèche zit, zeker nu hij bij “de grote” hoort en de baby-afdeling met veel trots verlaten heeft. Imiteren wat de grote peuters doen, diepgaande conversaties voeren met zijn vriendjes en vriendinnetjes, al het rondslingerende speelgoed laten kennismaken met zijn grote mond, en gewoon de godganse dag spelen-spelen-spelen: het kind doet niks liever dan dat.

Ik wéét dat allemaal wel. Heel goed zelfs. En toch. Toch voel ik me onvermijdelijk een tikkeltje schuldig als ik dan opnieuw in de auto zit, moederziel alleen, op weg naar het werk. Tranen pleng ik daar niet voor, ik vermijd zulke taferelen door een van mijn vele happy muziekjes keiluid op te leggen. En dan check ik mijn Facebook (ik wéét dat het niet mag in de wagen, maar het sust mijn geweten op zo’n momenten, en ik ga ervan uit dat er geen politie-agenten mijn blog lezen) en zie ik een link naar deze fantastische blogpost van Lilith.

En dan denk ik: ja, inderdaad, zo is het, wat ze schrijft is allemaal 100% waar. Ik hoef me helemaal niet schuldig te voelen over wat zich zopas in de crèche afspeelde. Ik moet juist immens blij zijn. Want vroeger vroeg ik me soms af: ziet hij mij wel graag? Maar nu stel ik mezelf die vraag niet eens meer. Ik weet gewoon: ja, het kind ziet mij graag. Natuurlijk! Vaneigens! Hij heeft mij nodig, I’m his person, en daarom is hij een beetje droevig wanneer ik wegga.  

Waarom hij het vroeger niét deed en nu wél, daar heb ik het raden naar. Ouder en wijze geworden misschien? Doet er ook niet echt toe, mijn punt is gewoon dat traantjes zoals deze enorm mooi zijn. Die afscheidstranen van hem en het daarmee gepaard gaande schuldgevoel bij mij zijn een roestig randje aan een voor de rest prachtig blinkend gouden muntstuk, “ouderschap” geheten.

Sorry, beeldspraak is nooit mijn sterkste kant geweest. But I hope you all get the point.

Donderdag wordt hij trouwens één jaar, deze kleine rakker:


Vermoedelijk zal ik dus donderdag degene zijn die één of meerdere traantjes laat. En een paar zakdoeken vol snottert. Van emotie, van het fijne terugdenken aan die mooie dertien februari tweeduizenddertien. Ook schone traantjes dus.

Maar dat zal je dan wel weer zien, lieve lezer. Hou dus vooral mijn blog een beetje in de gaten!

Lots of love, Josie xo