Tags

Gisteren was het 1 november,
Allerheiligen, de dag dat we traditiegetrouw terugdenken aan onze dierbare
overledenen.


Ik vind het
telkens een ietwat verloren dag. Er is niks open, alles ligt er doods en
verlaten bij, en meestal is het gewoon een druilerige regenachtige dag. Het
positieve is dat we niet moeten werken en tijd hebben om lekker bij de familie
te zijn. Taartje eten, koffietje drinken, herfstwandelingetje maken, gezellig. Zo
gaat dat bij ons op 1 november.


Ook al wil
ik op die ene dag niet denken aan mensen die ik graag zag en die er niet meer zijn,
ik doe het toch. Net zoals ik liever niét naar het kerkhof wil gaan omdat het
daar op zo’n dag krioelt van het volk en het zo’n opgeklopte bedoening is, maar
ik het steevast wél doe. Want we hebben die dag toch tijd en moeten sowieso in
de buurt zijn om naar de familie te gaan.


Elk jaar neem
ik mezelf voor: volgend jaar kom ik niet meer op 1 november maar op een andere
dag. En toch sta ik er jaar in jaar uit opnieuw. Heeft te maken met
schuldgevoel, denk ik.


Neen, dat
kerkhofgedoe, het zegt me niet zoveel. Ik denk liever spontaan terug aan mooie
herinneringen. Want als ik daar sta, voor dat “kastje” met die foto in het
deurtje en een bloemetje in een klein vaasje, begin ik keer op keer te wenen, daar
kan ik echt niks tegen beginnen.

Maar soit,
gisteren was ik dus op het kerkhof. Voor het eerst met Emil, mijn negen maanden
oude brok energie en testosteron. Het was alsof hij voelde dat we op een
speciale plaats waren want zijn luide kwebbel stond even stil. En dat gebeurt
niet vaak.
Met mijn
kleine prot in mijn armen stond ik daar voor zijn graf en besefte ik hoe snel
de tijd gaat. Het is al bijna 14 jaar geleden. Als ik de klok kon terugdraaien
naar de nacht van 1 april 2000 en ongedaan kon maken wat er toen gebeurde, dan
zou Emil nu naast zijn superdeluxe opa’s Joris en Filip ook een vree wijze pepe Marc hebben. En leute
dat die twee zouden hebben. Zo zot en levendig als Emil is, zo was hij ook.
Twee grote lachetaarten en levensgenieters samen, dat zou wat geven.
Het is niet
met verdriet dat ik zoiets denk– al krijg ik wel tranen in mijn ogen als ik dit
nu neerschrijf. Ik kán de tijd niet terugdraaien, dat besef ik maar al te goed. Ik
ben altijd sterk en dapper geweest omdat ik wist dat hij niet zou willen
dat ik droevig ben om hem, of dat ik mij laat gaan. Het leven was een groot
feest voor hem, en dat moet het voor altijd zijn voor degenen die hij heeft
achtergelaten.
Toch stopte
mijn wereld 14 jaar geleden eventjes met draaien. Toen mama me vertelde: hij is
verongelukt, hij heeft er waarschijnlijk niks van gevoeld, het is allemaal heel
snel gegaan. Hoe dan ook, hij was er niet meer en er was geen tijd om afscheid
te nemen. Ik was zestien en ik had hem keihard nodig. Maar hij was weg, van de
ene dag op de andere mijn leven uit.
De ontzettende
leegte en het knagende gemis van in het begin hebben intussen al geruime tijd plaats
gemaakt voor warme herinneringen waar ik vaak met plezier aan terugdenk. Ik mis
hem. Natúúrlijk mis ik hem, hij was (en is) een van de belangrijkste mensen in
mijn leven. Niet elke dag, ik zou liegen als ik dat zeg. Het leven gaat tenslotte
door. Maar op belangrijke momenten denk ik wel vaak: verdorie toch, wat zou ik
graag hebben dat hij er nu bij is. Toen ik afstudeerde, toen ik vertelde dat ik
na lang proberen eindelijk zwanger was, bij de geboorte van zijn eerste
kleinkind Emil. Nu we ons huis aan het bouwen zijn, denk ik ook geregeld: was
hij nu maar hier, want hij was zo verdomd handig en zou ons veel kunnen helpen.
En over een paar maand, wanneer we een groot feest gaan geven voor Emils eerste
verjaardag, dan ga ik zeker ook willen dat hij erbij kon zijn.
Altijd
troost ik me met de gedachte dat hij het wel ziet van ergens. En dat helpt. Nuchter
en realistisch als ik ben, geloof ik niet in leven na de dood. Als je sterft,
is het gedaan, punt. Maar voor hem maak ik een uitzondering en geloof ik dat er
wél nog iets is. Dat geeft mij heel veel kracht wanneer ik het moeilijk heb.
Dan denk ik dat hij ergens op ’t gemak zit toe te kijken met een pintje in de
hand, in een soort rock & roll heaven
of zo. Samen met John Lennon, Lou Reed, Michael Hutchence, Fons Sijmons en vele
andere heengegane muziekgrootheden waar hij fan van was.
“Als ik sterf,
dan mogen The Stones of The Scabs op mijn begrafenis komen spelen,” zei hij
ooit tijdens een etentje met mijn broer en zus en ik – het laatste wat we samen
met ons viertjes deden, zo zou achteraf blijken. Exact een week later verongelukte
hij. En ik wist nog heel goed wat hij me de week voordien al grappend gezegd
had. ’t Is me niet gelukt om ze naar zijn begrafenis te halen, maar ik luister
er sindsdien heel vaak naar. Ik kan zonder overdrijven zeggen dat ik het
volledige repertoire van The Scabs uit m’n hoofd ken. Dat zal hij wel al
gehoord hebben daarboven, hopelijk met enige trots.
Net zoals
hij wel al zal gezien hebben wat voor een schat van een kleinzoon hij heeft. Geen
twijfel mogelijk. Ik ben zeker dat hij even vertederd als ik zit toe te kijken
naar wat dat kleine lieve varken hier allemaal uitvreet:
Bij zijn
geboorte, mister maxi relaxy:
 

Met zijn
eerste big smile, sindsdien is hij niet meer gestopt met lachen:
 
Met zijn
guitige sloeberogen die hij volgens velen van mij (en dus misschien ook van hem) geërfd heeft:
 
Tijdens
een van zijn vele speelmomentjes:
 
Met zijn rock ’n roll attitude, net zoals hem:
 
Ik ga Emil
later veel vertellen over hem. Hij zal zeker weten wie pepe Marc was. Oh ja. Hij
zal alle straffe verhalen horen en ermee lachen. Hij zal denken: diene pepe Marc van mij, ’t was potverdorie
ne wijze vent
. Spijtig dat ik hem nooit heb leren kennen. En dan een cd’tje
van the Scabs opleggen, en keiluid meekwelen.
Lieve paps,
amuseer je maar verder daar waar je bent, wij doen hetzelfde hier. Stand by me van waar je ook bent x